De nieuwe Baltische weg
Een menselijke keten van 650 kilometer dwars door de Baltische staten symboliseerde in 1989 het verlangen naar onafhankelijkheid. Na de Russische invasie in Oekraïne strijdt een nieuwe generatie Esten, Letten en Litouwers voor het behoud van vrijheid, taal en cultuur.

Ik ontmoette de Letse Anna in Riga, in de zomer van 2016. Een jaar later kwam ze bij me in Nederland wonen, maar we reisden geregeld samen naar Letland.
Uiteindelijk deelde ik zes jaar lang mijn leven met haar, een periode waarin ik het land, haar geboortestad Cēsis en haar familiegeschiedenis leerde kennen. Anna vertelde me over de Sovjettijd, die ze zelf niet meemaakte, maar waarop haar ouders, trotse Letten, met gemengde gevoelens terugkijken. In Letland is een kwart van de 1,8 miljoen inwoners van Russische afkomst. Steeds viel me op hoe negatief Anna sprak over haar Russischtalige landgenoten. Ik begreep
nooit goed waar dat gevoel vandaan kwam. Toen Rusland Oekraïne binnenviel, in februari 2022, laaide het anti-Russische sentiment op – in Letland, maar ook in Estland en Litouwen. De drie Baltische staten delen een gewelddadige geschiedenis met hun grote buur, en met de oorlog in Oekraïne komen de spoken uit het verleden weer tevoorschijn.
Samen met collega-fotograaf HJ Hunter reis ik opnieuw naar de regio om beter te begrijpen hoe Anna en haar generatiegenoten – jonge mensen die na de val van de Sovjet-Unie zijn opgegroeid in onafhankelijke landen – omgaan met de spanningen van nu, waarin vrijheid ineens niet meer vanzelfsprekend is.
HET IS 24 FEBRUARI, de dag waarop Estland, de noordelijkste van de drie Baltische staten, zijn onafhankelijkheid viert. In het centrum van de hoofdstad Tallinn wordt in alle vroegte de nationale driekleur gehesen op de Lange Herman, een van de hoektorens van het Toompeakasteel, de middeleeuwse burcht waarin ook het parlement is gevestigd. Duizenden Esten kijken toe. Studenten met vaandels staan opgesteld in rijen, kinderen zwaaien met vlaggetjes. Iedereen zingt uit volle borst het volkslied mee. Te midden van de menigte ontmoeten we Aleksei Jašin, een oud-docent met politieke ambities. Hij is een Est met Russisch als moedertaal. ‘Ik ben hier om te laten zien dat ook ik een Estse patriot ben,’ zegt hij.
Jašin vertelt dat hij zich nog levendig de Onafhankelijkheidsdag van 2022 herinnert, die samenviel met de Russische inval in Oekraïne. ‘Iedereen was vol ongeloof. Esten tonen hun emoties niet snel, maar de verslagenheid op de gezichten zal ik nooit vergeten.’
“Dit was voor mij en veel andere Russischtaligen het moment publiekelijk positie te kiezen.”
Twee dagen later stond Jašin voor de Russische ambassade te protesteren. Hij laat een foto zien waarop hij een poster omhooghoudt met de tekst ‘Russen in Estland tegen de oorlog’. ‘Dit was voor mij en veel andere Russischtaligen het moment publiekelijk positie te kiezen,’ zegt hij.
Later die middag sluiten we ons aan bij een groep zingende studenten van de Technische Universiteit Tallinn. Algauw belanden we in een rumoerige pub aan het Vrijheidsplein. Op de tafels staat kiluvõileivad, roggebrood met gemarineerde sprotfilet, ui en ei. Het hoogtepunt is de bierdrinkwedstrijd, waarin studenten onder luid gejuich de strijd aangaan met de rector en professoren. Onverwacht word ook ik uitgedaagd, door Mairo Mitt, student robotica.
‘Onverslaanbaar!’ roept een medestudent in mijn oor, ‘zijn bijnaam is de gouden keel.’
Tot mijn verbazing drink ik de keel eruit. Lachend komen we bij, waarna Mitt vertelt wat Onafhankelijkheidsdag voor hem betekent. ‘Ik ken de verhalen van mijn ouders uit de Sovjettijd. Door de oorlog in Oekraïne besef ik dat onze vrijheid op het spel staat. Maar we hebben alleen iets aan die vrijheid als we er ook van genieten.’ Met een glimlach: ‘En dat doe ik vandaag extra bewust.’ Terwijl we naar hem luisteren, vraag ik me af waarom ik Bevrijdingsdag in Nederland niet met eenzelfde intensiteit beleef.
Wanneer we de pub verlaten, is de militaire parade net ten einde. Bij een aantal legertrucks op het Vrijheidsplein staat een groep jonge militairen omringd door mensen die vragen stellen over het leger. Kinderen wachten ongeduldig om op een truck te klimmen en het kanon te besturen. De negentienjarige Henri Kalvik legt uit dat in Estland iedere man met een Ests paspoort op zijn achttiende een oproep voor het leger krijgt. Hij is zelf een halfjaar in dienst en heeft in die tijd met verschillende mensen moeten werken.
‘De helft van mijn eenheid bestaat uit Esten met een Russische achtergrond,’ vertelt Kalvik. ‘De meesten spreken ook wel Ests, zij het niet altijd even vloeiend. Onze cultuur verschilt, maar de nieuwe generatie is behoorlijk westers. Er wordt veel gelachen, humor is belangrijk. Tegelijk is iedereen ervan doordrongen dat het in onze regio elk moment kan exploderen.’
Bij een zware training denkt Kalvik aan wat zijn voorouders hebben doorgemaakt. Zijn vader diende net als hij in een luchtverdedigingsbataljon. Zijn overgrootvader nam het als officier op tegen de bolsjewieken in de Estse Onafhankelijkheidsoorlog (1918-’20), terwijl zijn opa in de Tweede Wereldoorlog gedwongen voor de nazi’s vocht in het door Duitsland bezette Estland. Opa raakte gewond, belandde in een Duits strafkamp en werd na de machtsovername door de Sovjets gedeporteerd naar Siberië.
‘Ik heb een eed afgelegd om het land te verdedigen,’ zegt Kalvik. ‘Ik sterf liever voor onze onafhankelijkheid en voor de mensen die ik liefheb dan dat ik niets doe. Wat heb ik eraan om weg te lopen?’
Kalviks familiegeschiedenis is geen uitzondering in de Baltische staten. In elke familie vind je wel iemand die een deportatie heeft meegemaakt of door het Rode Leger is vermoord. Dat wordt duidelijker tijdens de volgende halte van onze reis: Letland.
Wanneer we de pub verlaten, is de militaire parade net ten einde. Bij een aantal legertrucks op het Vrijheidsplein staat een groep jonge militairen omringd door mensen die vragen stellen over het leger. Kinderen wachten ongeduldig om op een truck te klimmen en het kanon te besturen. De negentienjarige Henri Kalvik legt uit dat in Estland iedere man met een Ests paspoort op zijn achttiende een oproep voor het leger krijgt. Hij is zelf een halfjaar in dienst en heeft in die tijd met verschillende mensen moeten werken.
“Pas op zijn tachtigste werd hem een zelfstandig appartementje toegewezen.”
ER ZIJN NOG STEEDS MENSEN die denken dat de Baltische staten een Slavische oorsprong hebben, terwijl we lang deel uitmaakten van de westerse, christelijke wereld en relatief laat in het Russische keizerrijk werden opgenomen,’ steekt historicus Gints Apals meteen van wal wanneer ik hem spreek vanuit Nederland. ‘Pas eind negentiende eeuw introduceerde tsaar Alexander III hier de Russische taal, onderwijs en politieke ideeën. Riga wordt als grote havenstad een van de belangrijkste industriële centra van het Russische Rijk. Veel westerse bedrijven vestigden zich hier,’ aldus Apals, hoofd van de afdeling publieke geschiedenis van het Bezettingsmuseum in de Letse hoofdstad.
Tussen beide wereldoorlogen genieten de Baltische staten onafhankelijkheid. De meest traumatische veranderingen vinden plaats na 1945, wanneer ze door de Sovjet-Unie worden bezet.
‘Het dagelijks leven verandert enorm,’ zegt Apals. ‘De helft van de bevolking bezit in die tijd een eigen stuk grond of boerderij. Maar de Sovjets verbieden privébezit. Alles wordt geconfisqueerd, boeren moeten op collectieve boerderijen gaan werken.’
Onder Stalin breekt een lange periode van terreur aan. De autochtone bevolking ondergaat arrestaties, executies en massadeportaties naar strafkampen, vaak in Siberië. Een kwart van de Letse bevolking, zo’n vijfhonderdduizend mensen, verdwijnt tussen 1940 en 1955 onder de nazi- en Sovjetbezettingen. Omgekeerd vestigen zich in de hele Sovjettijd ten minste zevenhonderdduizend mensen uit Rusland, Oekraïne en Wit-Rusland permanent in Letland om er in de industrie of het leger te werken. Hetzelfde gebeurt in Estland en in mindere mate Litouwen.
In Letland maakt slechts een klein deel van de migranten zich de Letse taal eigen. Echt nodig is dat ook niet, want het Russisch wordt de officiële taal binnen het overheidsapparaat en in grote bedrijven. Ook genieten de Russischtalige migranten veel privileges, onder meer bij het vinden van een baan of bij het toewijzen van woningen.
‘Een hoogleraar aan de universiteit in Riga, waar ik studeerde, moest altijd een keuken en toilet delen met anderen. Pas op zijn tachtigste werd hem een zelfstandig appartementje toegewezen,’ vertelt Apals. ‘Zulke praktijken wekten veel wrok bij de bevolking.’ Ik vraag hem hoe de Balten tegen de verdrukking in hun nationale identiteit hebben weten te behouden.
‘De Baltische talen bleven in gebruik in het onderwijs, op het platteland en in het culturele leven,’ zegt hij. Daar komt ook de zingende revolutie uit voort.’ Met ‘zingende revolutie’ verwijst Apals naar de periode waarin de Baltische staten zich eind jaren tachtig langzaam losweken van de Sovjet-Unie. In zowel Estland, Letland als Litouwen bestaat al sinds de negentiende eeuw een traditie waarin tienduizenden mensen bijeenkomen om te zingen, vertelt dirigent Ingrid Mänd, hoofd van de Estse vereniging voor koordirigenten, ons eerder in Estland.
“Samen zingen is een manier om ons als landen te manifesteren. Om onszelf te zijn, ons sterk te voelen en een te zijn als natie.”
‘Samen zingen is een manier om ons als landen te manifesteren. Om onszelf te zijn, ons sterk te voelen en een te zijn als natie,’ zegt Mänd. ‘Van nature zijn wij Esten best verlegen en houden we afstand, net als de Letten en Litouwers. Maar tijdens een festival staat iedereen opeengepakt op het podium. De meesten hier kunnen goed zingen, we beginnen er al mee op de kleuterschool.’
Ook mijn vriendin Anna maakte deel uit van de koortraditie. Op haar vijftiende stond ze op het grote festival in het Mežaparks-openluchttheater in Riga, in een traditioneel kostuum dat haar moeder in haar kleermakersatelier had gemaakt. Jarenlang had ze met haar schoolkoor naar het feest toegewerkt.
‘Het zingen smeedde een band: de meisjes uit mijn koor zijn nog allemaal goede vriendinnen,’ vertelt ze. ‘Nu ik ouder ben, besef ik pas hoe belangrijk de Letse cultuur eigenlijk voor me is.’ Ook in de Sovjettijd worden er koorfestivals georganiseerd. Hoewel de censuur streng is, slagen componisten erin patriottistische boodschappen in hun arrangementen te laten doorklinken.
‘In sommige liedjes werd de schoonheid van de Estse natuur bezongen, maar iedere Est begreep dat het over een verlangen naar vrijheid ging,’ legt Mänd uit. ‘De koorfestivals waren in die periode erg belangrijk voor het behoud van onze taal en cultuur. Dat besef is er nu veel minder. De jonge generatie is vooral bezig met hun telefoons en computers.’ Volgens Mänd heeft de oorlog in Oekraïne dit veranderd.
‘De belangstelling voor het volgende Estse koorfestival in 2025 is enorm. In moeilijke tijden voelt zingen als een authentieke manier om samen te komen. We moeten Rusland laten zien dat we sterk en onafhankelijk zijn, en dat dat ook zo blijft. Als we onze cultuur en taal verliezen, wat hebben we dan nog om te verdedigen?’
Mänd reist daarom door heel Estland om aandacht te vragen voor de koorcultuur. Onlangs was ze nog in Narva, een stad aan de grens met Rusland waar 97 procent van de bevolking Russisch spreekt.
‘Ze willen in het Ests zingen en doen alles om zich de Estse taal op een hoog niveau eigen te maken,’ zegt Mänd.
In het gesprek valt het begrip ‘de Baltische Weg’, waarover Anna me eerder vertelde. Zij zat nog in de buik van haar moeder Dagnija en de Sovjet-Unie kraakte in haar voegen toen in 1989 twee miljoen mensen, een kwart van de totale Baltische bevolking, hand in hand een lint vormden van Tallinn in Estland naar de Litouwse hoofdstad Vilnius, over een afstand van 650 kilometer.
‘Dat was het hoogtepunt van de zingende revolutie,’ zegt Mänd. In de zomer van 1988, een jaar voor de Baltische Weg, voelen de Esten zich al zo sterk dat tienduizenden ’s nachts in Tallinn samenkomen om verboden liederen te zingen. Ze hangen Estse vlaggen aan de muren, maar die worden steevast weggehaald.
‘Daarom gingen ze kleren dragen in de Estse kleuren en hun auto’s beschilderen. Daar konden de Sovjets niets tegen doen.’
Datzelfde jaar hijst de Letse onafhankelijkheidsbeweging de nationale vlag op het kasteel van Cēsis. Voor het eerst in vijftig jaar zijn de rood-witte kleuren in het openbaar te zien. Anna’s moeder Dagnija maakte deze vlag in haar atelier.
“Volgens mij hebben die politici in Riga geen idee wat hier speelt. We zijn misschien anders, maar we zijn hier geboren en willen hier ons leven leiden. Is dat verkeerd?”
IN DECEMBER 1991 valt de Sovjet-Unie uiteen. De Baltische staten ontwikkelen zich tot volwassen democratieën, in 2004 treden ze toe tot de EU en de NAVO. Het bbp vertienvoudigt, vooral door toegenomen handel met andere Europese landen en EU-investeringsfondsen.
Niet iedereen profiteert evenredig van de nieuwe welvaart. Terwijl in de hoofdsteden moderne zakencentra en nieuwbouwwijken verrijzen, loopt de ontwikkeling in de aan Rusland grenzende regio’s Ida-Virumaa (Estland) en Letgallen (Letland)sterk achter. Hier wonen de meeste mensen in chroesjtsjovka’s, de karakteristieke, uniforme Sovjetwoonblokken die werden gebouwd om Russische arbeidsmigranten te huisvesten. De bevolking veroudert, de inkomens liggen ver onder het nationaal gemiddelde en de werkloosheid is hoog. Veel jongeren trekken weg naar Tallinn en Riga of gaan in een West-Europees land studeren of werken.
In het speedwaystadion Lokomotīve in Daugavpils, op een steenworp afstand van de Russische grens in Letland, klinkt het oorverdovende lawaai van vier motoren die driftend over het opspattende gravel hun rondjes maken. Langs de baan sleutelen jongemannen aan opgevoerde motoren. Een van hen is monteur Edgars Pudans, die vlak bij het stadion opgroeide in een Russischsprekend gezin. Hij vertelt hoe belangrijk de sport is voor de jongeren in Daugavpils.
‘Soms zit het stadion stampvol, tienduizend man. Wie hier uitblinkt, kan flink wat geld verdienen in het buitenland,’ vertelt hij. Maar het leven is volgens hem niet voor iedereen makkelijk. Sinds het begin van de oorlog in Oekraïne stegen de prijzen, vrienden van hem werden werkloos. ‘Mijn loon als politieagent is niet meer genoeg om mijn vrouw en dochter te onderhouden. Daarom verdien ik hier in het stadion wat bij als monteur.’
Pudans kan zich niet vinden in de keuzes van de Letse regering. ‘Ik begrijp niet waarom er zo veel geld wordt uitgetrokken om Oekraïne te steunen, terwijl de problemen hier niet worden aangepakt,’ zegt hij. ‘Volgens mij hebben die politici in Riga geen idee wat hier speelt. We zijn misschien anders, maar we zijn hier geboren en willen hier ons leven leiden. Is dat verkeerd?’
Dit was voor mij en veel andere Russischtaligen het moment publiekelijk positie te kiezen
Een paar dagen later spreken we politicoloog en veiligheidsexpert Mārtiņš Hiršs in zijn werkkamer aan de Riga Graduate School of Law. Hij onderzoekt denkbeelden van de Russischtalige minderheid in Letland – en dat is niet toevallig. ‘Mijn oma stond aan het hoofd van het Talencentrum in Letland en was medeverantwoordelijk voor de derussificatie. Ze heeft tien jaar in Siberië moeten overleven, waaraan ze een haat tegen Russen heeft overgehouden. Als kind nam ik die houding over.’ Hiršs kreeg pas tijdens zijn studie voor het eerst Russische vrienden en kwam zo in aanraking met andere denkbeelden.
‘Voor mij was het evident dat het Rode Leger Letland aan het eind van de Tweede Wereldoorlog bezette, terwijl in de ogen van veel Russischtaligen de Sovjets hen bevrijdden van de nazi’s,’ vertelt hij. Ondanks deze botsende overtuigingen kunnen beide groepen het volgens hem over het algemeen goed met elkaar vinden. ‘Er zijn veel voorbeelden van gemengde huwelijken. Al met al is onze samenleving behoorlijk volwassen.’
We vertellen over ons gesprek met monteur Pudans. Het grootste deel van de Russischtalige minderheid in Letland deelt diens opvattingen over Rusland en Letland, meent Hiršs. ‘Het beeld dat alle Russischtaligen pro-Russisch zijn en Poetin steunen, klopt niet,’ zegt hij. Zijn onderzoek laat zien dat de helft zowel Russische als Europese politici en media wantrouwt; een kwart, overwegend ouderen, gelooft de propaganda van het Kremlin; het laatste kwart betreft veelal hoogopgeleide jongeren, westers georiënteerd en pro-EU. De meesten van hen spreken ook Lets en zijn goed geïntegreerd, aldus Hiršs.
Op onze rondreis merken we weinig van gespannen verhoudingen. Op de Centrale Markt achter het station van Riga is het zoals altijd druk in de vijf enorme markthallen en bij de kraampjes daarbuiten. In de Sovjettijd verkochten zestig landbouwcollectieven hier hun producten. Die nostalgische sfeer van ouderen die hun zelfverbouwde groenten verkopen, hangt er nog steeds. Wat opvalt, is dat er nog steeds voornamelijk Russisch wordt gesproken.
Ook in de wijken Maskavas forštate (‘voorstad van Moskou’) en het aangrenzende Ķengarags is dat zo. Beide liggen op een aantrekkelijke plek langs de groene oevers van de Westelijke Dvina, niet ver van het centrum met alle goede voorzieningen. Desondanks ogen de Sovjetflats, winkels en straten ouderwets en slecht onderhouden. Beloofde investeringen van het gemeentebestuur zijn uitgebleven.
‘Letland is er niet in geslaagd de Russischtalige minderheid goed te integreren in de samenleving,’ vindt historicus Gints Apals. ‘Daarvoor heeft de regering te weinig actieve stappen gezet.’ Nu komen twee botsende wereldbeelden hier samen: bij een deel van de Russischtaligen roepen de flats nostalgie op naar vervlogen Sovjettijden, terwijl vanuit Lets perspectief deze wijken juist herinneren aan een pijnlijke geschiedenis.
“Telkens wanneer ik bij mijn opa was, zag ik fragmenten waarin idiote dingen werden gezegd. Steeds extremer.”
IN DE LITOUWSE HAVENSTAD Klaipėda valt de avond na een hete zomerdag. We staan op de rand van een betonnen skatepark en kijken hoe twee jongemannen met ontbloot bovenlijf trucjes doen. Het park ligt aan de rand van een wijk vol Sovjetflats. De gebouwen zien er opvallend goed uit; met steun van de EU zijn ze onlangs gerenoveerd.
Klaipėda is een van de weinige Litouwse steden met een groot aantal Russischtaligen. In de Sovjettijd migreren veel minder arbeiders naar Litouwen dan naar Estland en Letland. Litouwen is vooral een agrarisch land en aanzienlijk minder geïndustrialiseerd. Bovendien is het overwegend katholiek, met grote gezinnen, zodat er genoeg Litouwers zijn voor de arbeidsmarkt.
Wanneer de jongens hun skateboard opbergen, spreken we ze aan. Ze stellen zich voor als Jonas en Arnas, allebei 28. Al snel komt het gesprek op de kloof die ze ervaren met de Russischtaligen.
‘Doordat ik zelf geen Russisch spreek, heb ik zelden contact met ze,’ zegt Jonas. Beide groepen hebben volgens hem last van de taalbarrière. Jonas adviseert ons om een bezoek te brengen aan zijn vriend Tomas, die grootouders heeft in Wit-Rusland. Daar zorgt de oorlog voor conflicten in de familie. Een paar dagen later stappen we in Vilnius in de auto van Jonas’ vriend Tomas Sipko. Hij brengt ons naar de datsja van zijn opa, in de bossen even buiten de Litouwse hoofdstad. Geregeld gaat Sipko langs om hem te helpen opruimen of om de moestuin te onderhouden.
Voor de deur ligt een stapel uien te drogen. Binnen kijkt de tachtigjarige Vasili Loban tv. Tot voor kort zette hij Russia Today op, maar dat kan niet meer: de Litouwse overheid heeft Russische staatszenders als veiligheidsrisico aangemerkt en vlak na het begin van de invasie in Oekraïne uit het zenderaanbod gehaald. Loban vroeg zijn kleinzoon het kanaal via internet bij hem te installeren, maar Sipko weigerde, tot onvrede van zijn familie.
‘Die Russen maken echt heel goede shows, fantasie en propaganda lopen erin door elkaar,’ vertelt Sipko. ‘Telkens wanneer ik bij mijn opa was, zag ik fragmenten waarin idiote dingen werden gezegd. Steeds extremer. Ik kon hem niet overtuigen van mijn standpunten. Daarom vermijd ik politieke onderwerpen nu maar.’
Zijn ouders hebben sinds de Russische annexatie van de Krim in 2014 altijd een neutrale positie ingenomen, vertelt Sipko, maar dat veranderde na de invasie van 2022. ‘Mijn ouders werden kritischer op de Kremlinpropaganda. We hadden altijd conflicten, maar zitten nu meer op een lijn in ons denken over de oorlog. Mijn vader en moeder staan nu opener voor de Litouwse kijk op het conflict.’
“Ik heb een droom. Op de dag dat Russischtalige kinderen niet meer naar aparte scholen gaan, drink ik champagne en ga ik lang zitten nadenken over het volgende doel in mijn leven.”
NA DE INVAL IN OEKRAÏNE hebben Estland, Letland en Litouwen allerlei maatregelen genomen om de invloed van Rusland in te dammen. Niet alleen werd de toegang tot Russische staatszenders beperkt, ook zijn alle oorlogsmonumenten die de Sovjettijd verheerlijken weggehaald, zijn Russische namen uit het straatbeeld verwijderd en hebben auto’s met Russische kentekenplaten nog maar beperkt toegang tot de drie landen. In Letland zijn georganiseerde 9 mei-vieringen – de dag waarop Rusland de overwinning op nazi-Duitsland herdenkt – verboden.
De Letse overheid gaat zelfs nog verder. Meer dan tienduizend etnische Russen moeten een Letse taaltest doen om hun verblijfsvergunning te behouden. Slagen ze niet, dan dreigt uitzetting naar Rusland. Het gaat niet om recent gevluchte Russen, maar om migranten die in de Sovjettijd in Letland kwamen wonen en nooit een Lets paspoort hebben aangevraagd. Een deel van hen koos voor een Russisch paspoort, bijvoorbeeld om later een klein pensioen van de Russische Federatie te kunnen krijgen.
De grootste verandering vindt plaats in het onderwijs. In Estland en Letland wordt Russische taalles stapsgewijs afgeschaft. Door het leren van de nationale taal, is de gedachte, zal de nieuwe generatie zich meer onderdeel van de samenleving voelen, zich de cultuur eigen maken en ook beter aansluiting vinden op de arbeidsmarkt.
In Tallinn bezoeken we een experimentele multiculturele school, waar een hoopgevend project loopt. Op de Avatud Kool zitten Russisch- en Eststalige kinderen samen in de klas. Aleksei Jašin, die we op Onafhankelijkheidsdag spraken, gaf hier twee jaar les en leidt ons rond. De kinderen leren hier niet alleen elkaars taal, maar krijgen ook meer begrip voor de uiteenlopende visies op de geschiedenis van Estland sinds de Sovjettijd.
Wanneer we door de gangen op de eerste verdieping lopen, is de andere aanpak meteen zichtbaar. Aan de muur hangen posters met tekeningen en teksten waarop kinderen een persoonlijk familieverhaal delen. Zo werd de oma van Oleg na de Tweede Wereldoorlog gedeporteerd naar Siberië, terwijl de oom van Jekaterina emigreerde vanuit Rusland naar Estland om er in de zware industrie te werken. Volgens schoolhoofd Sandra Jarv bewijst haar Avatud Kool dat gemengd onderwijs toekomst heeft.
‘Steeds meer scholen komen op bezoek om te leren van onze ervaringen,’ zegt Jarv. ‘Ze stellen dan vast dat het werkt. De buitenwereld vindt onze multiculturele klassen heel speciaal, maar de kinderen hebben geen idee dat het ook anders zou kunnen.’ Jašins ervaring als leraar op de school inspireerde hem de politiek in te gaan. Tijdens de campagne voor de Estse parlementsverkiezingen in 2023 profileerde hij zich als voorstander van een nationaal systeem met gemengde scholen.
‘Ik heb een droom,’ zegt hij. ‘Op de dag dat Russischtalige kinderen niet meer naar aparte scholen gaan, drink ik champagne en ga ik lang zitten nadenken over het volgende doel in mijn leven.’
DANKZIJ ONZE REIS begrijp ik beter waarom Anna en veel van haar landgenoten weerstand voelen tegen veel wat Russisch is. De Baltische volken hebben een lange en tragische weg afgelegd om hun onafhankelijkheid te verkrijgen en hun taal en cultuur te behouden. Met de oorlog in Oekraïne en de vijandige retoriek die uit het Kremlin klinkt, is de angst om opnieuw hun vrijheid te verliezen reëel geworden.
Tegelijkertijd maakt de Russischtalige minderheid volwaardig onderdeel uit van de samenleving in zowel Estland, Letland als Litouwen. Bovendien is de groep verrassend divers. De meesten willen niet ‘bevrijd’ worden, zoals Moskou wil laten geloven, maar gewoon een normaal leven leiden op de plek waar ze nu wonen.
Ik put hoop uit de visie van Aleksei Jašin: een nieuwe generatie die samen opgroeit en van elkaar leert, zal elkaar beter begrijpen en meer verenigd zijn.

